Bijzonderheden:
Ouderdom bibliotheek
Wie zich bezighoudt met geschiedenis, of het nu lokale, regionale, nationale of wereldgeschiedenis betreft, heeft altijd te maken met ingesleten opvattingen. Opvattingen die niet stroken met de werkelijke gebeurtenissen. Onjuiste opvattingen die volledig te goeder trouw zijn, simpelweg omdat de stand van de geschiedeniswetenschap nog niet ver genoeg gevorderd was om een goed oordeel te vellen of -en dat is kwalijker- omdat de wetenschapper bewust de beschikbare feiten achterhoudt dan wel manipuleert. Het komt ook voor dat wetenschappers onkundig zijn, of niet consequent in hun betoog of onduidelijk formuleren. Jammer dat onjuiste of onvolledige opvattingen soms hun eigen leven gaan leiden. En zoiets zien we gebeuren in het boekje geschreven door A.N. Duinisveld, Stompwijk, 1939. Dit boekwerk speelt nog steeds een belangrijke rol in de geschiedenis beleving van Stompwijk, meer bijzonder de Stompwijkse kerkgeschiedenis.
Maar beginnen wij met een citaat: Op bladzijde 14 in dit boek lezen wij: ”De woonplaetse van voorn. Vermeulen een weynich van den wech innewaerts staende, hebben bevonden wedersijts van den voorgevel met een houte heijninch van de voorste werff affgesondert te sijn ende in huys twee diversche studeerplaetsen ende bibliothequen, op yeder van deselve een nachttabbert hangende.” [in : BBH 7, p. 341]
Hier verwijst Duinisveld naar een verslag uit 1643 van een zekere Sebastiaan Francken waarin Francken zijn bevindingen omtrent de aanwezigheid van rooms-katholieken in Rijnland beschrijft.
En dan een ander citaat. Op bladzijde 26 in hetzelfde boek lezen wij: “Florentius van Beaumont werd als pastoor der statie opgevolgd door Fredericus Johannes Jacobs Coeqx, gewoonlijk slechts pastoor Jackops genoemd, zooals hij ook zelf zijn naam schreef in eenige boeken der parochie-bibliotheek, waarvan hij zeer waarschijnlijk de stichter is.” En dat laatste is blijven hangen in Stompwijk.
Maar het is namelijk zeer onwaarschijnlijk dat pastoor Jackops, pastoor in Stompwijk van 1727-1756, de stichter van de parochie-bibliotheek was. In de eerste plaats is er de tekst van Francken uit 1643, zie hierboven, waarin hij het heeft over bibliothequen. Er was al minstens één bibliotheek, ruim 75jaar vóór dat pastoor Jackops in Stompwijk aan kwam. Het kan natuurlijk zijn dat die oudere bibliotheek inmiddels was verdwenen en pastoor Jackops opnieuw is gestart met het aanleggen van een volleidg nieuwe bibliotheek. Dat lijkt echter onwaarschijnlijk en wel om de volgende twee of misschien drie redenen.
- Ten eerste is van pastoor Jackops bekend dat hij de ‘sentimenten van Jansenius’ niet was toegedaan, zoals te lezen in een tekst over aanstellingen van priesters uit 1730 [in BBH 14, p. 85]. En dan laat zich toch heel lastig verklaren waarom hij dan oudere (sommige uit zijn geboortejaar 1702), juist pro-jansenistische pamfletten voor de bibliotheek verwierf. Een voorbeeld van zo’n tekst: “Cornelius Jansenius [...] verweerende zig zelven, en uyt zyn eyge boek Alle rechtzinnige menschen overtuygende, dat hy de vijf, hem door de Molinisten opgeleyde, ketteryen in zijn boek niet geleerd heeft [...] / Aegidius de Witte”. -geen uitgever bekend, geen plaats bekend, maar gedrukt in 1705. Nee dan ligt het meer voor de hand dat dit werkje -en een hele reeks soortgelijke pamfletten- in een al bestaande bibliotheek belandde door toedoen van zijn voorganger, pastoor Florentius van Beaumont (pastoor van 1705-1727), die wel jansenistische sympathieën had of in ieder geval had gehad, Duinisveld, p. 25, of zelfs nog door diens voorganger, pastoor Stael (pastoor van 1680-1705) die een enigszins tweeslachtige houding, ten opzichte van het jansenisme had, Duinisveld, p. 23.
- Ten tweede, als er geen bibliotheek bestond en pastoor Jackops er één startte, hoe kan het dan zijn dat hij de hand kon leggen op honderden boeken die ruim voor dat hij actief werd waren verschenen? Ongeveer de helft van de boeken in de bibliotheek hebben een verschijningsjaar vóór pastoor Jackops’ aantreden in Stompwijk. Of moeten we aannemen dat al die boeken in de loop der tijden, ook na het vertrek van pastoor Jackops, in de parochie-bibliotheek binnendruppelden? Of anders gezegd dat er een antiquarisch aankoopbeleid / verwervingsbeleid is geweest door één of meer van zijn opvolgers? Wel, dat lijkt mij nu onwaarschijnlijk; de bibliotheek bestond al en werd geleidelijk aangevuld door aanschaf en schenking
- Een derde argument voor het toen al bestaan van een bibliotheek zou kunnen zijn dat pastoor Vermeulen (actief als pastoor van 1639-1655) die gebruikte in zijn apologetisch werk. Dat lijkt zeer waarschijnlijk. Hoe anders moet worden verklaard hoe Vermeulen zijn werk kon verrichten? De discussie die hij voerde met Cabbeljauw, maar daarover later en elders meer, werd later gepubliceerd en bevat vele literatuurverwijzingen. Hoe nu kan hij zonder een bibliotheek bij de hand te hebben Cabbeljauw van repliek hebben gediend? Nee, er bestond al een bibliotheek in de tijd van Vermeulen.
Sterker, het is aannemelijk dat de drukwerken uit de zestiende eeuw, 56 boeken, (deels?) en het begin van de zeventiende eeuw stammen uit het bezit van pastoor Van den Velde (pastoor van 1635-1639). Van den Velde stamde uit een rijk, Leids gezin en dus waren er genoeg middelen om de ook in zijn tijd al zeldzame boeken antiquarisch aan te schaffen. Bovendien had Van den Velden in het buitenland gestudeerd en dus vast en zeker boeken voor zijn theologische studie gekocht. Na zijn dood en de ophef die daarover ongetwijfeld ontstond, is zijn boekencollectie achtergebleven in het huis waar hij eerder woonde, in Stompwijk dus.
En daarom ligt het begin van de bibliotheek dus ongeveer honderd jaar verder terug in de tijd, naar de tijd van de eerste pastoor in Stompwijk.
(Een iets afwijkende versie van deze tekst werd eerder opgenomen in een nieuwsbrief van de Stichting Oud Stompwijk.)